In een orthodontiepraktijk worden in eerste instantie vooral kinderen behandeld. Daarom hebben veel orthodontiepraktijken een "open" structuur. Dit geeft een praktijk een rustgevend en vriendelijk karakter, en zorgt ervoor dat iedereen ook bij elkaar kan zien dat beugels niet raar zijn en een orthodontische behandeling niet vervelend of pijnlijk is.

Het gebit van iedereen is uniek. Zo is het ook met de stand van de tanden en kiezen. Een afwijkende stand van het gebit kun je globaal onderscheiden in 2 niveaus.

Niveau 1:
Dit speelt zich af op het niveau van de tanden zelf. Er kan te weinig (of te veel) ruimte zijn om alle tanden netjes naast elkaar in de rij te zetten. Soms kan met een beugel wat meer ruimte gemaakt worden en in andere gevallen moeten er wellicht kiezen verwijderd worden om extra ruimte te maken.

Niveau 2:
Dit speelt zich af op het niveau van de kaken, met andere woorden de ‘basis’ van de tanden en kiezen. Het kan voorkomen, dat de bovenkaak en de onderkaak niet goed op elkaar passen. Vaak gaat het om kinderen en jongeren in de leeftijd van 10 tot 13 jaar, die hun bovenkaak te ver naar voren hebben staan en bij wie de onderkaak te ver naar achteren ligt. Voor patiënten in de groeiperiode, zijn er beugels die de kaakgroei beïnvloeden. Zij zorgen ervoor, dat de boven- en onderkaak zo groeien dat ze beter op elkaar passen.
 Je kunt je voorstellen dat de ene afwijking vaak samengaat met de andere. Als de basis  niet goed staat, zal het nooit goed op elkaar kunnen passen. Beide afwijkingen worden meestal na elkaar behandeld.

ER_Portrait_04-01-01_008